Mysterie van het verdwenen jongensboek: “Moord in de Himalaya”

NRC Handelsblad 25-7-1992 – Het Mysterie van het Verdwenen Jongensboek. Waar zijn toch de jongensboeken gebleven, zoals ze in de dagen van weleer werden geschreven en geïllustreerd? NRC Handelsblad laat dit fenomeen een zomer lang herleven. Deze week Cas de Stoppelaar.

***

Alex zag zijn horloge, het was vijf voor twee ‘s nachts. Hoogste tijd om te vertrekken. Hij keek naar het afkoelende lichaam van Frederik links van hem. Het was onzichtbaar in de dikke lagen dons. Zwarte haren staken uit de slaapzak, ze bewogen zachtjes mee met het klapperen van het tentdoek. Die haren zouden als enige nog kunnen bewegen over drie, vier uur, de rest van het li­chaam zou net zo stijf bevroren zijn als de omringende natuur. Diep onder nul. Heel erg nul.

Zuchtend, nee, naar adem hap­pend begon hij aan het vaste ritu­eel van sneeuw smelten, trachten zo veel mogelijk te drinken ter­wijl hij kotsmisselijk was. Hij at een gezond crackertje, kauwde op kauwgom om zijn speekselklieren tot grote activiteit aan te sporen, wreef zijn koudgeworden vingers, voelde het bloed pompen in zijn hoofd waar de aspirine bezig was zijn bonzende koppijn te verzach­ten.

“Symptoombestrijding!” dreunde het in zijn hersenpan. „De oorzaak van de kwaal, het ge­brek aan levensbrengend zuurstof, wordt niet weggenomen. In tegen­stelling tot de oorzaak van mijn diepe ongeluk. De haat! Die riva­liteit, voorbij! Ik ben de eerste, ik zál de eerste zijn. Haha!”

Hij keek naar de slaapzak naast hem, stak zijn hand in de lagen dons en hield hem zo dicht moge­lijk tegen Frederiks lichaam. “Hooguit vijf graden nog”, mom­pelde hij. “Het bloed is stroperig, het hart heeft zijn laatste slag meer dan vier uur geleden gesla­gen.”

De wind wakkerde aan tot orkaan­kracht. De hele tent schudde als een bezetene en flapperde oorver­dovend. “Schudde ende bevende“, citeerde hij met stijve lippen, “Maar dat was Hadewych:`Schudde ende bevende van ver­langen naar God.’ Middeleeuwen, onverlichte tijden.”

Hij sloot zijn ogen. “Aanschouw, Oh Heer, Uw zelfbevlekkende zoon, druk doende roem te verga­ren, uiteindelijk tot meerdere glo­rie van U en van Uw Natuur, die zo krachtig is, tot in het Einde der Tijden. Dat Uw Toorn zegeviere over alle sterfelijke, naar adem `happende ende snakkende‘ inbre­kers in Uw IJzig Koninkrijk! Amen.”

Hij dronk de gesmolten sneeuw, trok zijn schoenen aan, prepareer­de zijn zuurstofapparaat en be­sloot op weg te gaan. Het was kort voor drie uur. Hij worstelde zich uit de tent en richtte zich stram op onder het licht der ster­ren. Het was onvoorstelbaar koud, de wind geselde zijn lichaam. Daar stond hij, als de hoogste mens op, de wereld, acht kilome­ter boven de wereldzeeën, op de flanken van de Mount Everest die hij zou gaan bedwingen. Zijn aartsrivaal was dood, de weg was vrij.

Hijgend, de regulator sissend op drie liter zuurstof per minuut, ging hij op stap. Alleen. Er was geen spoor, het zou een lange, vreselijke dag worden, wist hij. Tot de roem er op zou volgen.

Everestexpeditie

Het plan voor de grote Everest­expeditie was geboren in 1993, toen ‘s lands beste alpinisten be­sloten dat het te gek was dat er nog nooit een vaderlander had ge­staan op de top van de berg die veertig jaar eerder door Hillary en Sherpa Tenzing was ontmaagd. Heel Europa was al boven ge­weest, Belgische dames, een ze­ventigjarige Duitsers in Lederho­se, een groep zingende Italianen onder leiding van een operette­graaf. Spanjaarden waren aan hanggliders naar beneden gevlo­gen. Polen en Russen worstelden in de winter naar de top. Maar ie­mand uit ons land? Niet één.

Alex de Goede was een bekende klimmer, evenals Frederik Wolff. Frederik had mooie routes ge­klommen, was gevierd en veel ge­vraagd wegens zijn charmante verschijning, maar hij was ook omstreden. Ooit had hij in zijn eentje de HaTsju in China be­dwongen, een van de moeilijkste bergen ter wereld, maar er was twijfel gerezen aan zijn succes. Had Frederik over zijn prestatie gelogen? De hele affaire had veel kwaad bloed gezet.

Alex had ook spannende dingen gedaan. Hij was weliswaar op de Black Mountain zijn vingers en zijn tenen kwijtgeraakt door bevriezing, maar dat had hem niet verhinderd om nog veel moeilijke beklimmingen te doen. Alex was ook om­streden. Hij had een uitermate korzelig humeur en hij nam altijd enorme risico’s. Een spoor van dode en ge­wonde medeklimmers ach­terlatend, had hij zelf altijd op wonderbaarlijke wijze het leven weten te behou­den. Alex was een harde professional, die dingen zei als „Klimmen is de to­tale vernietiging; het uit­eindelijke doel is de elimi­natie van jezelf en de an­deren om je heen.”

Frede­rik Wolff was veel genuan­ceerder, die had de nei­ging Nietzsche en Witt­genstein te citeren als het om rotsen en ijs ging.

De twee hadden in de loop der ja­ren een onbeschrijfelijke hekel aan elkaar opgebouwd. Op alle manieren zaten ze elkaar dwars, ze zeiden vreselijke dingen over elkaar, hun beider carrière werd ernstig geschaad. Toen ze alletwee voor de Everest-expeditie werden uitgenodigd was er plotse­ling in Alex’ brein een klein licht­je gaan branden… Eerst heel zwak, als een vervelend grapje. Later werd het sterker, en het bleef hardnekkig flakkeren als een kaars die je tracht uit te bla­zen van grote afstand. Tenslotte, een paar maanden voorafgaand aan de expeditie, wist hij het ze­ker: “Frederik zal deze tocht niet overleven…”

De redenering was zo simpel. In de hoge Himalaya gingen elk jaar vele klimmers dood, vele honder­den waren er tot op heden gesneu­veld. Sommigen waren gewoon gevallen of van de berg gewaaid, anderen verdwenen in spleten – foetsie! Soms kon je nog iemand zien zitten langs de route, diep bevroren. Verreweg de meeste doden bleven op de plek des onheils, en er was nog nooit enig onder­zoek achteraf gedaan. Uiteraard was er aan moord nooit gedacht, en was de Everest dus niet de mooiste plaats ter wereld om je ri­vaal uit de weg te ruimen?

Alex was van huis uit apotheker. Hij had zich met ijver op het chapiter `Euthanasica’ gestort en was na wat avonden studeren gestuit op het nieuwe Drionn, een recent ontwikkeld ‘inslaapmiddel’. Dit liet weliswaar sporen na in het li­chaam, maar dat was hoog op de berg geen enkel bezwaar. De ex­peditie-arts zou heus niet naar bo­ven klauteren om autopsie te doen, bovendien zou het lijk steenhard bevroren zijn.

Het middel had als groot voordeel dat het absoluut smaak- en reuk­loos was, dat kleine hoeveelheden voldoende waren om de dood bin­nen drie uur te garanderen, en dat het slachtoffer er bovendien heel rustig van bleef, niet misselijk werd, ja zelfs mooie dromen zou krijgen waaraan geen ontsnappen meer mogelijk was. Alex haatte Wolff weliswaar diep, maar deze hoefde daarom nog niet in stuiptrekkingen aan zijn einde te komen. Nee, rustig en netjes inslapen, zonder misselijkheid, rommel of herrie, dat was de beste oplossing. Zeker in zo’n klein tentje.

Ridge

De smalle ridge naar de top was stijl en zwaar. Alex zakte tot zijn knieën in de sneeuw, kon moeilijk verder. Hijgend leunde hij over zijn pickel, de adem floot in zijn keel. Hij had een grote cylinder zuurstof bij zich, een thermosfles net suikerthee, wat chocola. Verder niets, op een klein pocketcameraatje na, want het zou hem toch niet overkomen dat hij zonder foto van de top zou weerkeren.

Zijn hoofd zakte naar vo­ren. In zijn geest projec­teerden zich de gebeurte­nissen van de afgelopen dagen. Frederik en hij waren eergisteren samen uit basis­kamp vertrokken, om als sterkste klimduo van de groep een toppo­ging te wagen. Ze werkten samen in relatief goede harmonie want beiden hadden nu een gemeen­schappelijke vijand – die vrese­lijke berg.

Twijfel over zijn snode voornemen was uiteraard gaan knagen, mede gevoed door het zuurstofgebrek dat helder denken onmogelijk maakte. De pilletjes brandden in zijn rugzak. Tenslot­te – verdwaasd, ja verdoofd – had hij koppig volgehouden dat de hardste weg de beste was, een ‘direttissima‘ om zijn eigen toe­komst veilig te stellen.

Gisteravond tenslotte had hij de fatale soep gekookt. Het duurde uren voor de sneeuw gesmolten was. Drie pilletjes Drionn leek hem voldoende in het bakje van Frederik Wolff. Ze losten snel op. Frederik zei: “Ik hoef eigenlijk geen bouillon…”

Alex vuurde aan: “Toe, joh, je moet het eten, anders droog je uit!”

Dat verdomde kommetje viel nog bijna om, maar tenslotte slurpte Frederik het brouwsel op. “Lek­ker”, zei hij, “Dank je wel, Alex.” Het onvermijdelijk einde brandde hem reeds achter de ogen toen hij even later sprak: “Góh, ik voel me heel loom, ik ga een paar uurtjes plat.

“Doe dat, Frederik”, zei Alex warm. “Ik kan toch niet slapen, ik wek je om twee uur als we weg­gaan.”

Tibet

Alex de Goede huiverde tot diep in zijn botten. Voorbij! Omhoog! Hij richtte zijn hoofd moeizaam weer op en keek door zijn besla­gen sneeuwbril naar het noorden, naar Tibet. De volgende stap kost­te hem moeite, zijn schoen zakte weg. Langzaam verplaatste hij zijn gewicht…

Maar wat was dat?!! Met een schok zakte hij door de sneeuw­laag heen! Hij schoot naar onde­ren, bleef goddank hangen op zijn gespreide armen. Zijn benen spar­telden wild in het ledige. Hij greep radeloos om zich heen, maar niets bood enig houvast.

De schrik sloeg als een speer in zijn maagstreek, zijn hart bonkte met tweehonderd verlammende slagen per minuut Zijn ademha­ling haperde. Hij raakte niet in paniek, net niet. Daar had hij te veel ervaring voor. Maar hij wist ook niet wat hij moest doen.

Voorzichtig probeerde hij met zijn tenen vaste grond te vinden, maar hoe hij ook spartelde en voelde, het gevolg was dat hij steeds dieper wegzakte Zijn ar­men werden koud en gevoelloos, hij was niet meer in staat lijn handen te bewegen. Het wanhopi­ge krabben met zijn vingers had slechts diepe kuilen in de sneeuw opgeleverd.

Daar hing hij, langzaam wegzak­kend door het gat. Hij dacht: „Als ik val, zal ik een eind glijden en weer tot stilstand komen.”

Maar hij gleed nauwelijks.

Hij viel wél.

Alex de Goede viel héél diep en héél hard. Als een loden kogel won hij aan snelheid, en toen hij uiteindelijk op de noordflanken van de hoogste berg ter wereld aan stukken sloeg, zijn gebruinde hoofd van de lenige romp werd gescheiden, zijn gespierde armen en zijn benen ieder een goed heenkomen zochten, explodeerde zijn zuurstoffles met een giganti­sche klap zodat er een lawine losraakte, die kalm en waardig over hem heen schoof.

Het laatste wat hij dacht tijdens zijn val: ,”Dat Uw Toorn zegevie­re over de inbrekers in Uw IJzig Koninkrijk.” Tranen bevroren op het moment dat ze in zijn ogen opwelden.

Daarna was al het witte zwart geworden. En ook rouge.