Squadron 322: “Hoeveel moffen die niet uit de lucht heeft geschoten!”

NRC Handelsblad 18-6-1983 — Squadron 322, het oudste van de Koninklijke Lucht­macht, hield afgelopen week een reünie op de vliegbasis Leeuwarden. Van heinde en verre zou­den de oude helden van een roemruchte oorlog de veertigste verjaardag van “hun” onderdeel komen opluisteren, was de ver­wachting. Het Zaterdags Bijvoegsel vloog mee naar Leeuwar­den. Daar bleef de oorver­dovende realiteit ver ach­ter bij het legendarische verleden.

***

1983-06-18 Squadron 322Uiteindelijk stapt Philip Jacobs ook op. “Er zijn er maar zes, hooguit zeven,” zegt hij. “Uit de oude tijd, de oorlog.” Samen lopen we naar zijn vliegtuigje. De smaak die rest is van kroepoek en banaan, van rijst uit een plastic bakje, na een dag vol gekrijs van straalmo­toren om – in gezelschap van prins Bernhard en de commissa­ris van zijn dochter in Friesland, Hans Wiegel – het veertigjarige bestaan van het roemruchte 322 squadron te vieren.

“Waar was Bob?” vraag ik.
“Bob was er niet,” zegt Jacobs een beetje droevig.

Het betreft hier Vliegenier van Oranje Bob van der Stok, een in kringen van piloten overbekende figuur, die in de oorlog het soort avonturen heeft meegemaakt waarover nu boeken worden ge­schreven (onder anderen door hemzelf) en films worden ge­maakt. Hij ontsnapte als een der drie overlevenden uit het beruch­te krijgsgevangenenkamp Stalag Luft III, werd begin 1945 com­mandant van het 322-eskader en vestigde zich na de oorlog als arts op Hawaii.

“En Eric?”
“Eric heeft het ook laten afwe­ten,” zegt Jacobs. Dit is Sol­daat van Oranje Eric Hazelhoff Roelfzema. Ook niet van de par­tij. “Van Arkel was er wel,” voegt hij er aan toe.

Spitfire

Jan van Arkel is ook zo’n ouwe piloot die zijn Spitfire tot onge­kende prestaties wist aan te vu­ren. Hij was één der mannen die van 1943 tot 1945 tot de vaste kern van het squadron behoorde. Hoeveel moffen die niet uit de lucht heeft geschoten! Samen met zijn maten bood hij weer­stand aan de Flak, de Focke Wulff en aan de V-1, de Doodle Bugs, die zoemend over Holland gingen en Londen tot doelwit hadden. Het 322 squadron had een belangrijke taak ze uit de weg te ruimen. Een ongehoord dappere truc was om me je ‘Spit’ langs een V-1 te vliegen en met je vleugeltip het toestel een zet te geven zodat zijn girotollen onklaar raakten. Brullend dook zo’n gevaarte dan de Noordzee in.

Jan Flinterman was er ook. Met rode konen na een lang leven buiten èn in de mess stond hij op het winderige platform te drin­ken en te praten met Robbie Wijting, oud-commandant van 322, die het tot voorzitter van het College chefs van staven heeft gebracht. Een belangrijke gast. “Zag je me praten met Wij­ting?” vraagt Jacobs. “Dat was hem nou. Met die scheiding in het midden.”

Er waren er zes, hooguit zeven uit de roemrijke jaren van wel­eer. Géén diner op blank damast, sommigen der jongere aanwezi­gen droegen zelfs geen das, er werden geen liederen gezongen. Het was een vlak soort samen­zijn, een kille vertoning in han­gar twee van de vliegbasis Leeuwarden. Het squadron waarop ooit, in de oorlog, de natie zijn hoop vestigde, bleek verwa­terd tot een groep militairen met een vaste betrekking, onder lei­ding van een commandant, die in zijn openingstoespraak noch het verleden roemde, noch een visie op de toekomst ontvouwde. Zwakjes bracht hij in het mid­den dat er op deze aardbol ook een plaats was voor 322 en dat de geluidsoverlast voor omwo­nenden best meeviel. Hij vroeg “een beetje begrip” voor het squa­dron.

Wat nu begrip! Waar was de sfeer op dit veertigjarig bestaan van Neêrlands oudste eskader? Waar waren de mánnen? Die redders der natie, die Engelandvaarders, bestaan ze alleen op pa­pier?

Piper Warrior

Samen met de apotheker uit het Rotterdamse Eudokia-zieken­huis, Philips Jacobs, vlieg ik in een Piper Warrior II (een wat heldhaftige naam voor ‘n vlieg­tuig dat je zo ongeveer kunt op­tillen) van Rotterdam naar de plaats van samenkomst.

Jacobs was bewapeningsmonteur in 322 van 1943 tot 1945. Hij zit blij achter de knuppel. “Kijk, Gouda!” roept hij, “Lelystad! Leeuwarden!” Even voor de lan­ding raken we verzeild in een oefenvlucht van een stuntteam in oude Fokkers. De oranjekleurige toestellen scheuren om ons heen en Jacobs zet wat zenuwachtig zijn kistje op de baan. We taxiën naar het platform en parkeren de Warrior II tussen een F-15, een monster vol bommen en moto­ren, en een dreigende mug die wat later steekbereid door de wolken zal gillen en luistert naar de naam F-16. Deze jongste aanwinst van onze luchtmacht dient ter vervanging van de Starfighter F-104, die mij groter en indrukwekkender lijkt, maar waarover kenners meewarig het hoofd schudden.

Wij zijn door de lucht gekomen en dat brengt de vliegbasis in lichte paniek. “Wat komt u doen?” vraagt een donkergekleur­de soldaat met kroeshaar.
“We komen voor het lustrum,” zegt Jacobs, met iets van een reünisten-gezicht op.
“Waar staat uw auto dan gepar­keerd?” vraagt de militair ver­baasd.
“Ik ben per vliegtuig,” zegt Ja­cobs. Zijn toon wordt niet zozeer scherper, als wel verbaasder. “Zoals vroeger,” voeg ik er stout aan toe.

Wij worden voorlopig ingedeeld bij de probleemgevallen, onder leiding van een sergeant die wei­nig vuurkracht lijkt te ontwikke­len. De manschappen zijn geheel ingesteld op het arriveren van de Royal Flight, waarmee de prins zo dadelijk zal komen. Ze weten met burgers geen raad. Uiteinde­lijk komt de sergeant op het effi­ciënte idee ons per auto te ver­voeren naar de plaats waar de gasten worden verwacht. Ligt het aan de militair of aan het le­ger, dat niemand weet waar dat is? “Ongelooflijk,” mompelt Ja­cobs ontsteld. We parkeren uit­eindelijk op een stukje asfalt in de buurt van hangar-2, waar een kapitein ons donderend wegbul­dert: het betreft hier de parkeer­plaats van een VIP. Wie of wat blijft in het ongewisse.

Welgemoed

Ach, het is niet de bedoeling onaardig te doen. Iedereen doet erg zijn best en welgemoed nemen we plaats, in de reukschaduw van Zijne Konink­lijke Hoogheid en commissaris Wiegel. Beiden zullen opgewekt keuvelend de verdere dag onaf­scheidelijk blijken. Het is echter nú nog geen tijd voor een borrel, want de commandant van het es­kader, majoor Krechting, neemt het woord en vermeldt de reden van deze bijeenkomst. Het 322-eskadron is het oudste lucht­macht-eskader van Nederland, het heeft al veertig jaar standge­houden. De majoor wordt in zijn exposé gehinderd door het rond­zingen van zowel de geluidsinstallatie als de mascotte van het squadron: ‘Sergeant der Eerste Klasse Polly Grey’, een roodstaartpapegaai die in zijn kooi naast het spreekgestoelte rondtuimelt en een lustig gefluit uit­stoot.

Heel verstaanbaar echter is ‘s majoors bede: “Wilt u daar rechts wat stiller zijn, ja!” Hij rept niet, of nauwelijks, over de geschiedenis van het eskader: de oprichting van het No. 322 (Dutch) Squadron RAF op 12 juni 1943 in Woodvale, Engeland uit het No. 167 Squadron, en de persoonlijke inzet van prins Bernhard om het zover te laten komen. Onvermeld laat hij de voorafgaande periode in Dan Y Graig, het squadron van Charlie Orange. Geen woord over de tijd van actie vanaf Hawkinge, van­waar druk naar het vasteland werd gevlogen. De dood van Plesman, van De Neve, van Maier die zich in een V 1 ver­slikte en vele anderen die ‘het hoogste offer’ brachten, blijven ongenoemd – net zoals de politionele acties in Indonesië na de oorlog.

Wapenlast

Na de toespraak van de majoor vindt de onthulling plaats van een schilderij, een munitieuze studie van een F-16 in blauwen en grijzen, waarbij de kunstenaar, een schilderende korporaal, vooral de wapenlast dramatisch ten toon spreidt. De prins klapt, want hij houdt van ‘zijn’ squa­dron.

We vertreden ons buiten, waar zich aan de horizon de vliegshow ontvouwt. In een stijf uniform zitten de hoogwaardigheidsbekle­ders te drinken uit kleine glaasjes. Obers reppen zich met flap­perende messjasjes door het gras, er wordt een geluidswagen aan­gereden die commentaar geeft: net zo onverstaanbaar als de ma­joor binnen, wegens het gedon­der van tientallen straalmotoren.

De hele dag verloopt eigenlijk onverstaanbaar. Zelfs als de prins een oorkonde uitdeelt aan een pi­loot die met de F-16 heeft ge­stunt, is een jonge soldaat met een twaalfwielig voertuig niet van zins zijn startpogingen te sta­ken.

Mannen als Van Arkel, Flinterman en Wijting staan met hun rug naar het gevlieg. Wie door gordijnen van lood boven Frank­rijk heeft gevlogen, wie noodge­dwongen laag over het water heeft gescheerd vlak boven de golven waarin sommigen van zijn maten voorgoed verdwenen, wie ooit met een doorzeefde staart op het nippertje de basis heeft bereikt, zo iemand is niet geïnteres­seerd in wat risicoloos gestoei met een vliegtuigje.

Ascot

Een mooi meisje met een witte hoed zoals op Ascot wordt gedra­gen, is daarentegen één en al aandacht; bij een overscherende straaljager ontsnapt haar een cowboykreet. Haar vriend plant wijdbeens zijn hakken in het gras en zegt met kennersblik: “Die knaap heb gewoon een verrek knap drukpak aan.” Een helikop­ter voert tot slot een redding uit en maakt zoveel wind dat het je­neverglas van mijn buurman op slag wordt geleegd.

Later op de avond schiet ik Jan Flinterman aan. “Die oorlog, daar ging het om,” zeg ik. “Dit hier is flauwekul. Een beetje rondvlie­gen, daar zit geen spanning in. Een leger bestaat om te vechten, en als er niet gevochten wordt bestaat het niet. Die oorlog was leuk voor jullie, nu is het afgelo­pen: Kijk maar rond.”

Flinterman wordt wat opgewon­den. “Zal ik jou wat vertellen? Ik deed het in m’n broek! Het was een vak! Het was geen grap! We waren doodsbang, zeker als je nog op de grond zat en de start vijf minuten werd uitgesteld.”

“Alles goed en wel,” werp ik te­gen, “maar iets wordt pas écht leuk als het menens is. Bergklimmen is pas de moeite waard als je ook werkelijk dood kan vallen. Daarom doen mensen het.”

“Jij bent een romanticus,” zegt Flinterman. “De realiteit was dat we vlogen en vochten – we waren professionals.” Hij wendt zich af want hij moet een boek signeren. Bernhard staat er al in, Wijting ook, evenals Van Arkel. “Een be­roemde groep,” zegt de verzame­laar content. Hij sluipt verder naar de volgende zestigplusser.

Harmonicamuziek

Na de wervelende show is het tijd voor de receptie. De dag is dan niet meer te redden. Nu hadden de toespraken moeten komen bij het diner, nu had de oudste piloot over vroeger moe­ten vertellen. Dit was het mo­ment geweest waarop een aantal Engelse collega’s het feest had­den moeten opluisteren met een parachutesprong boven op een feesttent. Niets van dit alles. Een combo speelt harmonicamuziek. Er zijn parasols en er is gebab­bel. Het is als een bruiloft waar­op het bruidspaar ontbreekt.

Jacobs en ik schepen ons in voor de terugreis. Vrij Nederland schuift onder ons door. Het ge­brul van de motor maakt dat we beiden kunnen zwijgen. Waar zijn de Mes­serschmitts?

Een los boutje aan het dashboard resoneert, en het lijkt de maat aan te geven voor het Spitfire­-lied, dat sinds lang niet meer is gezongen:

A Spitfire-pilot lays dying –
And whilst on the grass he did lie
To those who were standing around him
His last dying words he did say:

Take the conrods out of my body,
Take the pistons out of my brain,
Take the crankcase out of my sto­mach,
And assemble the engine again!